Ze noemen ze jezuïeten. Of formeel: de Sociëteit van Jezus. Het begon in 1534 in Parijs. St. Ignatius van Loyola verzamelde een groep mannen die iets anders wilden dan wat de middeleeuwse kerk te bieden had. Ze hebben de oude regels overboord gegooid. Geen verplichte boetedoeningen. Geen strikt vasten. Geen gemeenschappelijk uniform.

In plaats daarvan kozen ze voor mobiliteit. Aanpassingsvermogen. Het was een structuur in militaire stijl, toegepast op het geloof.

Paus Paulus III gaf het officiële knikje in 1540. Dat stempel van goedkeuring veranderde alles. De orde bouwde zijn fundament op gecentraliseerd gezag. De proeftijd duurde jaren voordat de definitieve geloften werden afgelegd. De leden betoonden bijzondere gehoorzaamheid aan de paus. Deze hiërarchie maakte hen flexibel en toch gedisciplineerd.

Hun werk was onmiddellijk. Prediking. Onderwijs. Missionair werk. Zij verdedigden de Contrareformatie met een agressieve focus. Tegen 1556, toen Ignatius stierf, had hun invloed zich over de hele wereld verspreid.

Succes brengt vijanden voort. De jezuïeten verwierven macht en respect voor de paus. Dat zorgde voor vijandigheid. Religieuze vijanden haatten hen. Politieke vijanden waren bang voor hen. Frankrijk, Spanje en Portugal oefenden druk uit op het Vaticaan. Het resultaat was plotseling. Paus Clemens XIV schafte de orde in 1773 af.

Het duurde niet eeuwig. Paus Pius VII herstelde de Sociëteit in 1814.

Sindsdien zijn ze gegroeid. Tegenwoordig zijn de jezuïeten de grootste mannelijke religieuze orde ter wereld. Ze blijven een kracht in het onderwijs en de mondiale bediening. Hun structuur overleeft. Hun missie gaat door.

Hoe werd een kleine groep in Parijs een wereldwijde instelling? Door aanpassing. Door gehoorzaamheid. Door de bereidheid om te verhuizen daar waar de nood het grootst was. De geschiedenis is complex. De impact is meetbaar.